Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Politie, boeven en de bak

75 woorden

Smerissen, kitten en juten, en de bajes waar je in terechtkomt. De onderwereld had een eigen taal, en die belandde in de straat.

5 maal 8

politie (doelend op het telefoonnummer in vroeger dagen)

6 maal 2

politie (doelend op het telefoonnummer in later dagen)

Bak

  1. gevangenis (in de bak zitten)
  2. werk (aan de bak komen, of juist niet 'hij komt niet aan de bak')
  3. auto ('mooie bak heb jij gekocht, buurman')
  4. grap ('wat een bak')

Bedissen

ook: bedizzen

verdienen, ook in de zin van stelen

Bolleboos

  1. ergens heel erg goed in zijn, knappe kop
  2. gevangenisdirecteur

Brommen

zitten (in de gevangenis, 'hij moet zeven maanden brommen')

Dakhaas

  1. inbreker
  2. stuk onbenul
  3. loodgieter, met name een die de regenpijpen repareert
  4. kat, dit was in de oorlog de benaming voor katten, die vanwege honger en voedselschaarste als 'haas' werden bereid/ gegeten

Dalven

presentjes aannemen van criminelen (door politie en ambtenarij)

Gannef

ook: gannew, gannif, ganf

boef, dief

Gauwdief

iemand die zeer behendig is in het stelen

Gribus

  1. achterbuurt
  2. bouwvallige woning
  3. eng persoon
  4. gevangenis
  5. hoerenkast

Inspringer

opengeschoven raam waardoor een inbreker binnenkomt

Jatten

  1. aanwijsstokjes (uit het Joods)
  2. stelen
  3. handen, vingers

Juut

politieagent (hoewel meer gebruikt in Rotterdam)

Kaak

klein schavot om criminelen te schande te zetten, hier komt de uitdrukking 'aan de kaak stellen' vandaan

Kerstboom

één jaar gevangenisstraf (anderhalve kerstboom was 18 maanden zitten)

Kip

  1. politieagent
  2. zwangere vrouw, maar wordt ook wel eens dubbelop gebruikt, 'die kip is zwanger', terwijl kip zelden voor een niet zwangere vrouw wordt gebruikt

Kit

de politie

Klabak

ook: klabakken

politieagent

Klapper

  1. doorslag, zakelijk een hele goede slag gemaakt
  2. bergplaats of verstopplaats van boeven
  3. benaming (onder trambestuurders) voor een ongeval
  4. marktkoopman
  5. illegaal bordeel

Klauwen

  1. stelen
  2. handen, 'laat het niet uit je klauwen vallen'

Lappen

  1. verraden (erbij lappen)
  2. gezamenlijk betalen (kan soms tegen je zin zijn)

Lik

gevangenis

Loenen

verraden, met de politie praten

Loenenaar

  1. verrader
  2. iemand die foute handel verkoopt

Manzer

bastaard (Joods) schurk (Bargoens)

Mollen

  1. (laten) vermoorden
  2. verraaiers op het politiebureau, corrupte agenten (zelfde als 'platte agenten')

Molm

geld (zeer oud, bargoens, 'geld is smerig, vermolmd')

Nor

gevangenis

Penose

ook: penoze
  1. onderwereld (bargoens)
  2. onderhoud (Jiddisch)

Pet

verzamelnaam voor corrupte politiemensen

Pieper

  1. verrader
  2. zeikerd, zeur

Plat

corrupt ('platte agenten' bijvoorbeeld)

Platte pet

geuniformeerde politie (niet te verwarren met platte agenten)

Poet

opbrengst van een criminele deal (diefstal, oplichting)

Poppesnor

overijverige politieman (ooit bijnaam Henk Blon, een agent die later NSB'er werd)

Rus

politie in burger

Schut

gevangenis (voor schut zitten, komt van schot, je zit ergens achter waar je niet uit kan)

Smeris

politieagent, eigenlijk bewaker (Joods)

Snezen

stelen (gelezen op MOKUMTV)

Stoot

  1. lekkere meid
  2. klus (bargoens)

Tasseknipper

ook: tassenknipper
  1. oplichter, wordt vaak van politici gezegd, verrijken over de rug van anderen
  2. linkmiechel, gierigaard, uitgekookt (vandaar de link met politici waarschijnlijk)
  3. dief

Tuut

politie (hoewel meer gebruikt in Utrecht)

Verlinken

ook: verlinker

verraden; een verlinker is een verrader

Verschut

  1. te schande gezet, afgezeken worden (komt van voor schut)
  2. betrapt op een misdrijf (komt van verschutten)
  3. in de gevangenis zitten (maar komt eigenlijk van 'voor schut zitten')

Wout

politieman (hoewel toch echt meer gebruikt in Den Haag)