Verrassend, leerzaam, Amsterdams.
Feitjes Amsterdam
Mokums woordenboek

Eten en koffie

40 woorden

Bikken, kanen en nassen: van een bakkie pleur tot een broodje Mokum.

Bakkie

  1. pilsje (bakkie doen: pilsje drinken)
  2. kop koffie

Broodje Mokum

  1. wit broodje met osseworst, oude kaas en uitjes (in Amsterdam schrijven we geen osseNworst maar zonder de 'N" )
  2. koffiehuis in de Jordaan

Broodmolen

iemand die veel praat ('hou die broodmolen eens')

Cement

ook: sement

stamppot van bruine bonen met aardappelen

Derrie

viezigheid (van eten of blubber maar ook diarree; 'getsiederrie')

Kanen

eten, schrokkerig eten

Koeketer

snoeper (500 jaar geleden de bijnaam van Amsterdammers)

Koopman

handelaar, overal brood in zien

Leut

  1. koffie
  2. lol, gein

Maatje

  1. vriend
  2. eerste haring van het seizoen

Naggelen

eten (is een verbastering van hachelen)

Piekeniek

afgeleid van het Franse Pique Nique (Picnic), het betekent een kleine of vriendelijke maaltijd

Prak

ook: prakkie

warm eten

Schaften

  1. eten
  2. niets mee te schaften: niet mee te maken